DE EENDENMOSSELS VAN RINLO

Tussen de spleten van de rotsen aan de Spaanse kust vind je de eendenmossels. Het woord mossel is echter wat misleidend, want een eendenmossel lijkt niets op de Zeeuwse mosselen die wij kennen. Maar smaken ze net zo goed?
 
Aan het uiteinde van een geribbelde bruine spriet steekt iets uit dat je alleen kunt omschrijven als een kleine klauw. Toch zijn deze onappetijtelijke schelpdieren een ware delicatesse. Het kleine vissersdorpje Rinlo, aan de kust van Galicië, staat bekend om zijn schelpdieren, en vooral om de vangst van eendenmosselen. Een week lang breng ik door in dit dorp, op zoek naar de vissers, geschiedenis én natuurlijk wil ik de eendenmosselen zelf ook proeven!
 
Het is al laat als ik het kleine terras van de lokale bar in Rinlo betreed. Hier worden de Spaanse tijden strikt gehanteerd: tapas is pas vanaf 20:00 uur te bestellen. “Percebes, por favor,” bestel ik in mijn gebrekkige Spaans. Nog geen tien minuten later wordt er een grote schaal voor mijn neus neergezet. Hoog opgestapeld staren de pootjes mij aan. De ober ziet mijn vertwijfeling en laat lachend zien hoe je een eendenmossel eet. Je draait het harde gedeelte met een handige beweging los van de bruine onderkant. Wat er dan tevoorschijn komt, is een vleesachtig stuk dat er veel smakelijker uitziet dan het gehele uiterlijk van de schelp. “Draai altijd van je af,” krijgt ik nog mee als advies. “Anders krijg je een zeedouche over je heen.”
 
Na een paar pogingen krijg ik de slag al snel te pakken. De smaak schommelt tussen die van krab en oester en heeft de ziltige smaak van de zee in zich. De structuur is iets taaier dan een mossel, meer vergelijkbaar met die van een scheermes.
 
Vond ik het een echte delicatesse en de buitensporige prijs waard? Nu ik de eendenmossels geproefd heb, weet ik niet of ik dit nu zo bijzonder van smaak vond om de uitgave te rechtvaardigen. Er komt weinig vlees vanaf en een schaal gewone mossels kost je minder dan de helft en is wellicht nog smakelijker. Waarom is de eendenmossel dan zo bijzonder en gewild?
 
Dat zit hem in het vinden en oogsten van de eendenmossels, leer ik al snel. Eendenmossels groeien diep verstopt tussen de rotsen in de zee. Alleen bij laag tij kunnen ze geoogst worden. Met klimtuig en beschermende kleding daalt een percebeiros af naar het gedeelte van de klif waar de mossels groeien. Ze zitten stevig vast, er moet flink gebeiteld worden om te los te bikken. Jaarlijks komen er meerdere mensen om het leven bij de zoektocht naar eendenmossels. Zo getuig ook een klein herdenkingsplaatje aan een stenen muur in Rinlo aan een vrouwelijke visser die in 2010 om het leven kwam.
 
Bij eb komen de verborgen rotsplateaus tevoorschijn, waar je krabben, kreeften, verschillende schelpen en af en toe zelfs een eendenmossel kunt vinden. Vissers die het te gevaarlijk vinden om de kliffen te beklimmen, zoeken hier rustig hun maaltje bij elkaar. Ze waden door de ondiepe poelen, speuren zorgvuldig tussen de rotsen en vullen hun emmers met de vangst van de dag. Soms komen ze terug met een rijke buit, andere keren is het wat schraler, maar meestal is er genoeg om mee naar huis te nemen. Het is een eenvoudig ritueel dat al generaties lang wordt uitgevoerd, een manier om op een veilige manier te profiteren van wat de zee te bieden heeft.
 
“O canta, zo is de zee mijn getuige,” zegt een visser met een glimlach, verwijzend naar een oude uitdrukking die in het dorp Rinlo vaak wordt gebruikt. Het laat zien hoezeer dit dorp verweven is met de zee. Bij stormachtig weer bulderen de golven over de kade en slaan ze tegen de oude vissershuizen. De woningen lijken onverstoorbaar, ze hebben al tientallen jaren de kracht van de zee doorstaan. “Het kan hier flink tekeergaan,” vertelt een dorpsbewoner terwijl hij naar de ruige kust wijst.
 
Net buiten het dorp liggen drie natuurlijke bassins in de rotsen, waar in 1904 de eerste schelpdierkwekerij werd geopend. De openingen, waar de zee vroeger vrij doorheen stroomde, werden afgesloten met stevige muren. Via sluizen kon de waterstand worden geregeld, zodat de schelpdieren konden groeien in de juiste omstandigheden. Deze ‘Cetaria’ zijn nog steeds te bezoeken. Wel op eigen risico, want de structuren zijn oud en door de tijd aangetast.
 
Op een frisse, mistige ochtend loop ik het dorp uit, de smalle weg op richting de rotsige kust. Al snel verschijnt de eerste cetaria aan de rand van de kliffen. Een trap van stenen, nog redelijk intact, leidt naar beneden. De geur van stilstaand zeewater hangt in de lucht, een herinnering aan de kwekerij die hier ooit vol bedrijvigheid was. Verderop ligt de grootste cetaria en van bovenaf kan ik goed zien hoe de bassins vroeger waren ingedeeld.
 
Rinlo was al een welvarend dorp voordat de schelpdierkwekerijen hier hun intrede deden, dankzij de bloeiende walvisvaart. Tijdens een wandeling door het dorp kun je nog altijd sporen van dit maritieme verleden ontdekken. Zo zijn er bijvoorbeeld hekwerken te vinden die versierd zijn met baleinen van walvissen, een stille getuige van de tijd dat walvisjacht het levensonderhoud van de inwoners verzekerde.

De bewoners streven er bovendien naar om grotendeels zelfvoorzienend te zijn. Er zijn veel moestuinen te vinden waar onder andere tomaten en kolen geteeld worden. Daarnaast kom je verspreid door het dorp de karakteristieke horreos tegen, traditionele hoge bouwwerken met smalle ventilatiespleten, die vroeger werden gebruikt om graan veilig en droog op te slaan.

Kortom, laat je niet foppen door het slaperige uiterlijk van dit vissersdorp. Achter die façade schuilt een levendige geschiedenis en hechte gemeenschap!